terug
naar Voor
artsen
Gelezen in het Nederlands Tijdschrift
Geneeskunde 2002 30 november; 146 (48)
Samenvatting:
Nederlands
English
Herziene terminologie voor allergie en
verwante aandoeningen
(r. gerth van wijk, p.b.
van cauwenberge en s.g.o. Johansson; namens de
werkgroep van de European Acadamy of Allergology and Clinical Immunology
(EAACI),
waarvan de leden aan het einde van het artikel zijn
genoemd.)
Op elke leeftijd kunnen allergische
reacties zich manifesteren binnen verschillende orgaansystemen. De hoge
prevalentie van allergische aandoeningen en de verbeterde diagnostiek en
behandeling zijn van grote invloed op de medische zorg die wordt besteed aan
allergische patiënten. Huisartsen, sociaal-geneeskundigen en medisch
specialisten hebben te maken met patiënten bij wie een allergische aandoening
vermoed wordt of geconstateerd is. Om misverstanden bij patiënten en collega's
te voorkomen zouden artsen over een duidelijke naamgeving voor allergische
aandoeningen moeten beschikken. Zij zouden zich hieraan in woord en geschrift
dienen te houden. in het artikel beschrijven wij de terminologie zoals die is
herzien door een Europese groep van betrokken specialisten1).
Historie
In de jaren twintig van de vorige eeuw
introduceerden Coca en Cooke het begrip "atopie"2)
In hun visie werd atopie gekarakteriseerd door overerfbaarheid en was dit begrip
van toepassing op een kleine groep patiënten. entraal stond veranderde
reactiviteit in de zin van een kwalitatief veranderde respons op allergenen bij
deze atopici. Klinisch kenmerkend waren de aandoeningen hooikoorts en astma met
daarnaast de aanwezigheid van directe huidreacties (kwaddel en rode hof).
Naderhand werd atopisch dermatitisch onder het begrip "atopie"
geschaard. Tevens werd een relatie met de aanwezigheid van hittelabiele reaginen
gelegd.
In 1968 introduceerden Gell en Coombs hun klassiek geworden terminologie voor
alle allergische reacties, welke de beschrijving van de typen I-IV
overgevoeligheid omvatte.3). In deze indeling wordt de
scheiding tussen humorale en cellulaire immuniteit benadrukt. Deze dichotomie
komt niet meer overeen met de huidige inzichten, waarbij de allergische
immuunrespons wordt aangestuurd door cellen als dendritische cellen en T-helper
(Th)2-lymfocyten; deze respons is dus een gevolg van zowel effectorcellen als
antilichamen, chemokinen en cytokinen.
In hetzelfde jaar kondigde het WHO International Reference Center for
Immunoglobulines aan dat er voldoende aanwijzingen waren voor een isotype
immuunglobuline.4) Dit IgE-isotype bleek in verband
te kunnen worden gebracht met de klassieke reagineactiviteit. Daarmee kreeg het
begrip "atopie" twee betekenissen. Enerzijds werd het gebruikt als
synoniem voor IgE-gemedieerde allergie, anderzijds waren er artsen die atopie
als constitutionele karakteristiek van patiënten gebruikten
Nieuwe inzichten
De rest van het artikel staat in het Nederlands Tijdschrift Geneeskunde
2002 30 november; 146 (48)
of lees hier verder:
http://www.eaaci.org/allergydefinitions/dutch.htm