Atopisch Syndroom
Inleiding
Het
Atopisch Syndroom is volgens de CBO-consensus Diagnostiek van het Atopisch
Syndroom (1987) een samenstel van ziektebeelden, zoals astma, atopisch
eczeem en pollinosis, waaraan waarschijnlijk een erfelijke aanleg ten
grondslag ligt. Op basis van deze erfelijke aanleg is de kans op een
Immunoglobuline (IgE) gemedieerde allergie groot. Allergie is volgens de
CBO-consensus: ‘een in kwalitatieve zin veranderde gevoeligheid op basis
van een immunologisch proces voor een stof die van buiten het menselijk
lichaam afkomstig is.’ Deze immunologische processen worden door Gell en
Coombs ingedeeld in vier typen (welke soms in een of meerdere combinaties
tegelijk voorkomen).
- Type I allergie (IgE-gemedieerde allergie; allergie van het
onmiddellijke type)
Dit type allergie wordt veroorzaakt doordat bij
reeds eerder gesensibiliseerden het gevormde IgE is gebonden aan
mestcellen in onder andere de huid, de membranen van het oog, de neus,
de mond, de luchtwegen, het darmkanaal en aan de basofiele granulocyten
in de bloedbaan. Doordat het binnendringende allergeen reageert met het
celgebonden IgE vindt er een degranulatie van deze cellen plaats,
waardoor grote hoeveelheden (ontsteking-)mediatoren vrijkomen, zoals
bijvoorbeeld histamine en ontstekingscellen zoals eosinofiele
granulocyten worden aangetrokken. De optredende reacties vinden plaats
binnen vijf tot tien minuten na contact met het allergeen. De hoogte van
de IgE-spiegel is min of meer gecorreleerd met de ernst van de klinische
verschijnselen. Naast het IgE zijn ook andere factoren medebepalend voor
de ernst van de klinische verschijnselen, zoals de duur en intensiteit
van de blootstelling aan het allergeen, de gevoeligheid van het
doelorgaan en de gevoeligheid van de mestcellen voor de vrijgifte van
mediatoren. De prevalentie van zo’n IgE-gemedieerde allergie is groot en
wordt momenteel geschat op 15 tot 20% van de bevolking. Ongeveer 80% van
alle allergieën heeft betrekking op de luchtwegen, de resterende 20%
bestaat uit allergieën met betrekking tot de huid en het
maag-darmkanaal. Allergie is een sterk in omvang toenemende afwijking.
Uit Zwitserland zijn betrouwbare cijfers voorhanden over de toename van
hooikoorts (pollinosis): in 1926 kwam dit voor bij 1% van de Zwitsers,
in 1950 bij 3 tot 4%, in 1996 bij 15 tot 20%. De belangrijkste pijler
van de diagnostiek is de anamnese. Daarnaast kan het in de bloedbaan
circulerende totaal IgE of het allergeenspecifieke IgE worden bepaald.
De bepaling van het totaal IgE heeft nauwelijks waarde voor de
diagnostiek van type 1 -allergie. Alleen als de allergeenspecifieke
IgE-bepalingen negatief zijn, kan een verhoogde totaal IgE-spiegel
wijzen op een IgE-gemedieerde allergie ten opzichte van een of ander
zeldzaam voorkomend allergeen. De aanwezigheid van een specifiek IgE
tegen een bepaald allergeen kan worden aangetoond met de Radio Allergo
Sorbent Test (RAST) of een soortgelijke test met een niet-radioactief
label. De test kan worden uitgevoerd als screentest met meerdere
allergenen tegelijk of, als er op grond van de anamnese een vermoeden is
van een bepaald oorzakelijk allergeen, direct met dit allergeen.
- Type II allergie (Cytotoxische allergie)
Bij dit type
allergie reageert een celgebonden antigeen met antistoffen van het type
IgG of IgM met als gevolg lysis van de cel.
Voorbeeld:
bloedgroepreacties.
- Type III allergie (immuuncomplex-ziekte)
Bij dit type
allergie reageren in het bloed circulerende antigenen met antistoffen
van het type IgG of IgM tot immuuncomplexen, waardoor zo’n 6 tot 8 uur
na contact met het allergeen klinische verschijnselen ontstaan.
Voorbeelden: reacties op schimmels (boerenlong), excrementen van vogels
(duivenmelkerziekte), serumziekte.
- Type IV allergie (cellulaire allergie)
Bij dit type
allergie reageren gesensibiliseerde T-lymfocyten met het allergeen
waardoor zich na 24 tot 48 uur een ontstekingsinfiltraat ontwikkelt.
Voorbeelden: tuberculine huidreactie, contacteczeem door nikkel- of
chroomzouten.
Onderstaand wordt vanwege de prevalentie alleen de
diagnostiek van de IgE-gemedieerde allergieën besproken.
De diagnostiek van IgE-gemedieerde
inhalatie-allergieën
De
voornaamste inhalatie-allergenen zijn huisstofmijt, graspollen,
berkenpollen, katten- en hondenepitheel (en -speeksel). Vier op de tien
Nederlandse gezinnen hebben ten minste één huisdier. De bijdrage van
andere inhalatie-allergenen zoals kruiden, andere bomen en schimmels, is
hoogstens enige procenten en praktisch te verwaarlozen. Van de
kruidpollenallergie is de belangrijkste die voor pollen van Artemisia
(Bijvoet; hoofdbloeiperiode augustus). Een meerderheid van deze
kruidallergische personen is ook allergisch voor graspollen. Een
bijvoet-pollenallergie gaat vaak samen met een allergie voor
voedingsmiddelen (zie 5.3.2.). De Groot et al. (1990) vonden bij monsters
die naar het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst Amsterdam
waren ingestuurd, de volgende frequentie van IgE-positiviteit:
huisstofmijt 34,2%, graspollen 20,3%, kat 15,3%, hond 8,6%, schimmels ±}
4% (mondelinge mededeling). In een epidemiologische studie werd in
Nederland (1996) bij willekeurige volwassenen onder de 44 jaar de volgende
frequentie van huidtestpositiviteit vastgesteld: huisstofmijt 21,8%,
graspollen 12,2%, berkenpollen 10,9%, kat 6,3%, hond niet bepaald (uit
andere bronnen: vermoedelijk iets lager dan voor katten), de veel
voorkomende schimmels Cladosporium en Alternaria 1,8 resp. 2,6%, olijf
2,3%. Dat schimmelallergie nauwelijks van betekenis is, is ook vastgesteld
door Beaumont et al. (1985), die bij poliklinische astmatische patiënten
een prevalentie van sensibilisering van 5% vaststelden in huidtests met
een groot aantal schimmelextracten. Bovendien stelden zij vast dat een
sensibilisatie tegen schimmels zelden geïsoleerd wordt aangetroffen, maar
doorgaans gepaard gaat met een sensibilisatie tegen andere allergenen,
zoals huisstofmijt en graspollen. Bij jeugdige poliklinische patiënten met
astmaklachten stijgt het percentage van sensibilisering (positieve
huidtest) voor schimmels in vergelijking met volwassenen (Kauffman). Een
geïsoleerde schimmelallergie kan een beroepsziekte zijn bij champignon- en
tomatenkwekers. Daarnaast dient men er op bedacht te zijn dat bij allergie
voor vogels en schimmels IgG-antistoffen (de zogeheten precipitinen) vaak
een rol spelen: type III allergie.
Een andere bekende beroepsziekte is
een IgE-allergie bij bakkers. Ongeveer 10% van alle bakkers is allergisch
voor tarwemeel en 7% heeft een allergie voor α-amylase, een aan meel
toegevoegd enzym. Op proefdierenlaboratoria is zo’n 10 tot 20% van de
medewerkers allergisch voor muizen.
Onder operatiekamer- en laboratoriumpersoneel komt veelvuldig
latexallergie voor (14 % van de operatiekamermedewerkers in het Dijkzigt
Ziekenhuis Rotterdam), die via het ingeademde handschoenpoeder ook tot
inhalatieallergische verschijnselen kan leiden. Een latexallergie
(systemisch of lokaal) gaat in zo’n 50% van de gevallen gepaard met een
allergie voor plantaardige voedingsmiddelen. Onder schilders komt ongeveer
5-10% beroepsastma voor ten gevolge van verharders in de verf
(isocyanaten). In de farmaceutische en zeepmiddelindustrie treedt soms een
allergie op voor toegevoegde microbiologische enzymen, in de
voedingsindustrie voor bijvoorbeeld kippenei-eiwitten. Een IgE-bepaling
kan al bij pasgeboren baby’s worden gedaan. Op zeer jonge leeftijd
overheersen de voedselallergenen; vanaf de leeftijd van twee jaar is er
een sterke toename van allergie voor inhalatieallergenen. In onderstaande
tabel is de frequentie van voedings- en inhalatieallergieën in voor
analyse ingestuurde sera onder zeer jonge kinderen opgenomen.
Tabel. Percentage RAST-positieve sera voor enkele voedings- en
inhalatieallergenen van sera van kinderen van 0-4 jaar (van Toorenenbergen
et al. 1991).

Inhalatieallergiescreening met behulp van een
inhalatieallergenenmengsel
Met een dergelijke screeningstest wordt
met een mengsel van allergenen in één analysegang gereageerd op het
voorkomen van een of meerdere soorten IgE-antilichamen tegen de allergenen
van het testmengsel. Het resultaat van de allergeenspecifieke IgE-bepaling
met zo’n mengsel van allergenen wordt bijvoorbeeld in de
CAP-Phadiatoptest® (Phadia, Nieuwegein, Nederland) uitgedrukt in
een verhoudingsgetal, waarbij de IgE-binding in het patiëntenserum wordt
vergeleken met die van een referentieserum. Wanneer het quotiënt
> 1,0 is, dan is de uitslag positief. Naarmate het quotiënt
hoger is, is de hoeveelheid specifiek IgE hoger, evenals de kans op
ernstiger klinische reacties. Huidtests en laboratoriumtests correleren
voor inhalatieallergenen zeer goed met elkaar en dienen niet naast elkaar
te worden gebruikt. De interpretatie van de resultaten van een
IgE-antistof-bepaling is relatief eenvoudig voor de belangrijkste
inhalatie-allergenen. Mits de bepaling in een voldoende gevoelige vorm
wordt uitgevoerd, wordt bij 95% van de patiënten met een klinisch
relevante allergie een positieve uitslag verkregen. Met de
CAP-Phadiatop®-test worden IgE-antistoffen aangetoond tegen
huisstofmijt en/of graspollen en/of pollen van boomsoorten (voornamelijk
berk) en/of kruiden en/of epitheel van respectievelijk kat, hond en paard
en/of een aantal schimmels; het Phadiatop®-mengsel bevat geen
extracten van Aspergillus fumigatus, epitheel van knaagdieren of vogelveren
(mededeling Pharmacia en Upjohn) De voorspellende waarde van een negatieve
testuitslag bedraagt circa 95% (geen IgE-antistoffen tegen een bepaald
allergeen aanwezig); de positief voorspellende waarde is zo’n 98%. Door
Smithuis (persoonlijke mededeling) is vastgesteld dat van de 500
onderzochte Phadiatop®-positieve patiënten 97,4% positief waren voor één
of meerdere van de volgende inhalatie-allergenen: huisstofmijt 71%,
graspollenmix 62%, berkenboompollen 48%, kattenepitheel 31% en
hondenepitheel 29%. De resterende paar procenten worden vermoedelijk
veroorzaakt door voornamelijk schimmel- en knaagdierallergenen. Indien er
een duidelijke anamnese is, dan kan, indien noodzakelijk, het vermoeden
van een bepaald allergeen direct getoetst worden met een RAST met alleen
dit allergeen. Is het vermoeden van het oorzakelijke allergeen niet zo
duidelijk, dan kan vanwege de kostenbesparing beter eerst de
Phadiatop®-(of voedselmix-)test worden aangevraagd in plaats
van twee à drie afzonderlijke CAP-RAST’s.
Referentiewaarde: negatief
(CAP-Phadiatop® <
1,0).
De test met behulp van individuele allergenen
Is de
Phadiatop®-test positief, dan kan worden volstaan met
uitsplitsing over de vijf voornaamste allergenen: huisstofmijt,
graspollen, berkenpollen, katten- en hondenepithalia (zie 5.2.1.). Is er
een duidelijke anamnese, dan kan worden volstaan met alleen een test met
het verdachte allergeen. Het vinden van een verhoogde allergeenspecifieke
IgE-spiegel wil zeggen dat de patiënt gesensibiliseerd is voor dat
allergeen en dat hoe hoger de spiegel is, hoe groter de kans is op
ernstige klinische reacties. Voor de diagnostiek van huisstofmijtallergie
kan worden volstaan met testen met Dermatophagoides (D.)
pteronyssinus. Deze mijt komt in onze streken het meeste voor en
vertoont een sterke kruisreactie met de andere mijtensoorten, zoals D.
farinae, D. microceras en voorraadmijten. Huisstofmijten zijn het
gehele jaar in de menselijke woonomgeving aanwezig. De belangrijkste
bloeiperiode van grassen is van mei tot eind juli. Er bestaat een grote
onderlinge kruisreactiviteit tussen de verschillende graspollensoorten,
zodat in plaats van testen met een graspollenmix ook getest kan worden met
een (goedkopere) enkele graspollensoort bijvoorbeeld Poa pratensis.
Berkenbomen bloeien van eind maart begin april tot begin mei, afhankelijk
van de weersomstandigheden in het voorjaar. Berkenboompollen vertoont een
sterke kruisreactiviteit met hazelaarpollen (bloeitijd januari, februari)
en elzenpollen (bloeitijd februari, maart). De hazelaar en els zijn
botanisch nauw verwant aan de berk. De hoeveelheid pollen van deze
boomsoorten en daarmee de klinische klachten variëren van jaar tot jaar
sterk door wisselende klimatologische omstandigheden. Een allergie voor
berkenpollen gaat in 20 tot 50% van de gevallen gepaard met een allergie
voor voedingsbestanddelen die verwante moleculaire structuren bevatten,
zoals (verse) appel, peer, perzik, kers, hazelnoot, wortel, selderij,
sinaasappel, kiwi, meloen, tomaat en paprika. Ten aanzien van
kattenallergie moet bedacht worden dat dit allergeen ook voorkomt in
huizen (scholen) waar geen kat aanwezig is. Het kattenallergeen wordt
gemakkelijk meegenomen door personen (via kleren en dergelijke) die wel
met katten in contact zijn geweest. In een studie werd bijvoorbeeld
geconstateerd dat bijvoorbeeld in een kwart van de onderzochte huizen
zonder kat als huisdier, toch kattenallergeen aanwezig was. Voor
hondenallergenen geldt hetzelfde. In Nederland zijn de volgende aantallen
huisdieren aanwezig (1999): 2 miljoen katten, 1,3 miljoen honden, 2,4
miljoen zang- en siervogels (veroorzaken weinig frequent allergie). Soms
zijn patiënten overgevoelig voor een niet-bloeiende (dus geen
stuifmeelvormende), momenteel uitermate populaire potplant, die zowel in
de huiskamer als in openbare ruimtes zijn plaats heeft gevonden: de Ficus benjamina. Het allergeen is airborne, en door de botanische verwantschap
met de rubberboom treedt er een kruisreactie op met latexmaterialen. Het
resultaat van de RAST met een enkel allergeen wordt uitgedrukt in kUa/l
en/of in CAP - RAST-klasse 0 tot en met 6. NB. Het serum IgE bij
pollenallergische patiënten kruisreageert soms met profilinen of
glycoproteïnen van andere, voornamelijk plantaardige producten. De
gevonden IgE-waarden zijn meestal veel lager dan voor het klinisch
belangrijke pollenallergeen (zie 5.3.2.).
Referentiewaarden:
normaal : verhoogd :
|
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Pharmacia CAP-systeem) > klasse 0; > 0,35
kUa/l
|
De diagnostiek van IgE-gemedieerde
voedselallergieën
Voedselovergevoeligheid wordt onderscheiden
in:
Voedselallergie (frequentie van voorkomen ± 1%).
De reacties zijn
immunologisch van aard, meestal IgE-gemedieerd.
Voedselintolerantie (frequentie van voorkomen ± 1%).
De reacties
zijn enzymatisch (bijvoorbeeld lactasendeficiëntie) of farmacologisch
(biogene aminen) van aard.
Lactasendeficiëntie
Soms is er onvoldoende lactase in de
darm aanwezig (vooral bij niet-blanken), waardoor de lactose in het
voedsel niet voldoende verteerd wordt en in de darm gaat gisten,
waardoor klachten als buikpijn, kramp, misselijkheid, een opgezette buik
en diarree kunnen ontstaan.
De diagnose wordt gesteld met behulp van
een lactose-belastingstest.
Intolerantie voor biogene aminen
Bij sommige mensen schiet
het afbraakmechanisme voor bepaalde in voedsel voorkomende biogene
aminen (zoals histamine, tyramine, etc.) tekort, waardoor klachten
kunnen ontstaan van urticaria, oedeem, maag en darmklachten, benauwdheid
(histamine) of klachten als hoofdpijn en migraine (tyramine en
phenylethylamine). Biogene aminen komen onder andere voor in kaas,
worstsoorten, zuurkool, wijn, bier. Voedsel kan ook bestanddelen
bevatten, die in staat zijn om in het lichaam rechtstreeks histamine
vrij te maken. Deze histamine-vrijmakers komen voor in onder andere
aardbei, vis, schaal- en schelpdieren, cacao, alcohol, enz.
De
diagnose wordt gesteld door eliminatie-provocatietests.
Voedseladditiva Soms worden klachten veroorzaakt door
voedseladditiva als azokleurstoffen, aromastoffen, conserveermiddelen
als sulfiet en salicylzuur. De diagnose wordt gesteld door
eliminatie-provocatietesten. In dubbelblinde gerandomiseerde,
placebo-gecontroleerde onderzoeken met orale provocatie werd alleen voor
sulfiet een causaal verband met voedselovergevoeligheid aangetoond. Voor
azo-kleurstoffen, benzoaten, monosodiumglutamaat sorbaten, gebutyleerd
hydroxyanisol/gebutyleerd hydroxytolueen was geen verband met medische
klachten aantoonbaar. Voor parabenen, kaneel en vanille, waren er
onvoldoende gegevens om een conclusie op te baseren (Reus et al. 2000).
Coeliakie De meest voorkomende vorm van voedselintolerantie
bij kinderen is evenwel coeliakie, een abnormale reactie op het eiwit
gliadine, een bestanddeel van gluten, welke voorkomen in tarwe, rogge,
haver, gerst en spelt. De prevalentie in Nederland van herkende
coeliakie bij kinderen is gemiddeld 1 op de 2000 levendgeborenen, de
prevalentie van niet herkende coeliakie (patiënten met atypische,
minimale, niet-gastroenterologische symptomen) ligt bij kinderen van 2
tot 4 jaar tussen de 1 op 200 en 1 op 400 (Cassandra 1999). Ook bij
volwassenen komt niet herkende coeliakie voor. Hin et al. (1999)
concluderen dat bij veel patiënten met coeliakie de diagnose niet door
de huisarts wordt gesteld. De meest voorkomende klacht is de combinatie
van microcytaire anemie en moeheid, terwijl abdominale klachten afwezig
zijn. Rostami (1998) stelt naar aanleiding van een onderzoek bij
‘gezonde’ bloeddonoren dat een huisarts met een gemiddelde
praktijkgrootte zes patiënten met coeliakie kan verwachten. Onder
volwassenen schat hij de prevalentie 1 op 400
Voedselaversie
Psychologische factoren spelen een rol.
IgE-gemedieeerde voedselallergie
In Nederland zegt 12% van de bevolking overgevoelig te zijn voor
voedingsmiddelen of bestanddelen daarvan. Fruit, chocoladeproducten en
groenten worden het meest genoemd. Het percentage IgE-gemedieerde
allergieën ligt vermoedelijk rond de 0,2 tot 1%; bij zuigelingen en jonge
kinderen ligt dit rond de 3%. In een recente studie in West- en Midden-
Nederland onder kinderen die minstens zes weken borstvoeding hadden gehad,
vonden de Jong et al (1998) op eenjarige leeftijd atopische ziekten bij
10% van deze kinderen, met positieve RAST voor koemelk 5,8%,
kippenei-eiwit 4,4%, huisstofmijt 0,3%, kat 1,7%, hond 0,7%. De diagnose
voedselallergie dient vooral gebaseerd te zijn op de anamnese en wordt
ondersteund door het aanwezig zijn van IgE-antilichamen. De diagnose dient
te worden bevestigd door een orale provocatie-eliminatietest. Bij
zuigelingen en jonge peuters zijn koemelk, kippenei-eiwit en pinda de
meest voorkomende allergenen. Koemelkallergie manifesteert zich meestal in
de eerste drie tot vier levensmaanden en verdwijnt in 90% van de gevallen
binnen drie jaar. Pinda-allergie blijft meestal levenslang. Vanwege de
hogere frequentie van allergie voor deze allergenen bij zuigelingen kan
screening met een voedselmix op koemelk, kippenei-eiwit, vis, pinda, tarwe
en soja zinvol zijn. De leeftijdgrens voor onderzoek is arbitrair op drie
jaar gelegd. Bij zuigelingen met uitsluitend flesvoeding hoeft alleen de
overgevoeligheid op koemelk te worden getest. Voor zuigelingen (kinderen
< 1 jaar) beveelt het Landelijk Informatiecentrum voor
Voedselovergevoeligheid (LIVO), zowel als de NHG-Standaard
Voedselovergevoeligheid bij zuigelingen, voor diagnostiek allereerst een
eliminatie-provocatietest aan.
De testuitslag voor voedselallergenen is veel moeilijker te
interpreteren dan voor inhalatie-allergenen. De American Academy of
Allergy and Clinical Immunology stelt dat de positief voorspellende waarde
van een testuitslag voor een klinische allergie < 50% en de negatief
voorspellende waarde > 90% is. Afhankelijk van het soort allergeen en
de hoogte van het allergeenspecifieke IgE-gehalte kunnen deze waarden
hoger of lager zijn (Smithuis 1993). Vals-positieve uitslagen worden vaak
veroorzaakt door kruisreactiviteit met een inhalatieallergeen; zie 5.4.2.
Olsder et al. (1995) vermelden bij hun studie over koemelkeiwitallergie
bij kinderen voor de IgE-RAST met koemelkallergeen een positief
voorspellende waarde van 65% en een negatief voorspellende waarde van 70%
in vergelijking met de gouden standaard: een eliminatie-provocatiedieet.
Voedselallergiescreening met behulp van een
voedselmengsel
Met deze screening wordt met een mengsel van
allergenen in één analysegang gereageerd op het voorkomen van een of
meerdere allergeenspecifieke IgE-antilichamen tegen de allergenen van het
testmengsel. De CAP-fx5voedselmixtest® (Pharmacia en Upjohn) bevat de
volgende allergenen: koemelk, kippenei-eiwit, vis, tarwe, pinda en soja.
De testuitslag wordt uitgedrukt in kUa/l en/of als CAP-RAST-klasse 0 tot
en met 6. Indien de testuitslag positief is, wordt uitgesplitst naar de
eerder genoemde zes allergenen. De voorspellende waarde van de
CAP-voedselmixtest voor een positieve testuitslag op 1 van deze zes
allergenen is 92%, de negatief voorspellende waarde 98% (Van
Toorenenbergen et al. 1998).
Referentiewaarde:
Normaal : Verhoogd :
|
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Pharmacia CAP-systeem) > klasse 0; > 0,35
kUa/l |
De test met behulp van individuele allergenen
Is de
voedselmixtest positief, dan kan uitgesplitst worden over het zestal
eerder genoemde allergenen of bij een sterk vermoeden van een oorzakelijk
allergeen, kan direct met dit allergeen worden getest. Vooral reacties op
pinda’s en andere noten (prevalentie in de Verenigde Staten circa 1%)
kunnen levensbedreigend zijn. In een aantal gevallen blijkt (met name bij
volwassenen) dat het aangetoonde specifieke IgE niet primair tegen het
voedselallergeen is gericht, maar tegen een kruisreagerend
inhalatieallergeen. Deze kruisreacties tussen pollenallergenen en vooral
plantaardige voedingsmiddelen worden, voor zover bekend, veroorzaakt door
dezelfde antigene moleculaire structuren of door profiline (een wijd
verspreid eiwit, aanwezig in alle eukaryotische cellen), of door stikstof-
of zuurstofgebonden suikergroepen van glycoprotëinen (Crosssreactive
Carbohydrate Determinants = CCD’s). De kruisreacties met verwante
allergenen of profiline zijn klinisch meestal wel van betekenis, de
kruisreacties met CCD’s niet. Zo gaat een allergie voor berkenboompollen
in zo’n 20 tot 50% van de gevallen gepaard met het orale allergiesyndroom,
dat wil zeggen een reactie in de mond na het eten van verse appel (niet
alle appelsoorten), peer, perzik, kers, hazelnoot, wortel, selderij,
sinaasappel, kiwi. Een zeldzame allergie voor bijvoetpollen (Artemisia
vulgaris; in Nederland wijd verspreid) gaat vaak samen met een allergie
voor tuinkruiden en specerijen en andere planten uit de familie der
Schermbloemigen (selderij, koriander, anijs en wortel, fruit).
Graspolleninhalatieallergie kan soms ook gepaard gaan met een allergie
voor onder andere appel, tarwe, boekweit, tomaat en pinda. Ook zijn er
kruisreacties beschreven tussen latexallergenen en banaan, kiwi, avocado,
tamme kastanje, tomaat, ananas, en pinda. Gezien de complexiteit van
voedselallergie, de beperkte sensitiviteit en specificiteit van de RAST’s
en de geringe prevalentie onder volwassenen, is het laboratoriumonderzoek
door huisartsen beperkt tot voedselallergieonderzoek bij kinderen.
Referentiewaarde:
|
Normaal : Verhoogd :
|
klasse 0; < 0,35 kUa/l
(Phadia CAP-systeem) > klasse 0; > 0,35
kUa/l
|
De diagnostiek van IgE-gemedieerde allergieën
na een insectensteek of -beet
In Nederland krijgen circa 2.000
personen per jaar een overgevoeligheidsreactie na een bijen- of wespen- of
hommelsteek; het aantal sterfgevallen is gelukkig klein: circa twee per
jaar. Imkers en hun inwonende familieleden worden voornamelijk door bijen
gestoken; de ‘gewone’ burgers door wespen. Een bij laat zijn angel zitten
na de steek, een wesp bijna nooit. Hommelsteken beperken zich bijna altijd
tot kwekers, die deze insecten gebruiken voor bestuivingdoeleinden. Met
behulp van een insectengif- RAST kan eventueel bepaald worden welk insect
in het geding is geweest. Reacties op toekomstige steken kunnen evenwel
zeer moeilijk voorspeld worden. De diagnostiek is van specialistische
aard. Ernstige overgevoeligheidsreacties na een insectenbeet (door
bijvoorbeeld mug-speeksel-allergenen) treden zelden op doch zijn wel
beschreven in de literatuur. 5.6 De diagnostiek van
geneesmiddelallergieën Tenminste vier immunologische
reactiemechanismen (zie 5.1) liggen ten grondslag aan allergische reacties
die door geneesmiddelen worden veroorzaakt. Allergische reacties vormen
naar schatting slechts tien procent van de ongewenste effecten van
geneesmiddelen. Penicillinen zijn de meest bekende voorbeelden van type I
allergieën. De frequentie van allergische reacties op penicillinen ligt
tussen de 0,7 en 8 procent. De diagnostiek is van specialistische aard.
Literatuur
De Monchy JGR, Kauffman HF. (Red.) Allergologie.
Utrecht:Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1994.
Consensusrapport Diagnostiek van het Atopisch syndroom 1987,
Amsterdam: CBO, 1987.
De Groot H, Stapel SO, Aalberse RC. Statistical analysis of
IgE-antibodies to the common inhalant allergens in 44496 sera. Annals
Allergy 1990;65:97-104.
Rijcken B, Kerkhof M, De Graaf A et al. Europees Luchtweg Onderzoek
Nederland. Rijksuniversiteit Groningen, Epidemiologie, Stichting
drukkerij Regenboog, 1996.
Beaumont F, Kauffman HF, De Monchy JGR et al. Volumetric
aerobiological survey of conidial fungi in the North-East Netherlands
II. Comparison of aerobiological data and skin tests with mould extracts
in an asthmatic population. Allergy 1985; 40:181-186.
Houba R. Occupational respiratory allergy in bakery workers.
Relationships with wheat and fungal -amylase aero-allergen exposure.
[Thesis] Wageningen: Landbouwuniversiteit, 1996.
Hollander A. Laboratory Animal Allergy. Allergen exposure assesment
and epidemiological study of risk factors. [Thesis] Wageningen:
Landbouwuniversiteit, 1997.
Consensusrapport Voedselovergevoeligheid. Utrecht: CBO, 1990.
De Monchy JGR. Consensus Voedselovergevoeligheid. Ned Tijdschr
Geneeskd 1991;135:1538-1541.
Wever AMJ,Wever-Hess J, Kramps JA et al. Phadiatoptest, een nieuwe
in-vitrotest voor inhahalatie-allergie. Ned Tijdschr Geneeskd
1989;133:70-73.
Crobach MJJS. Evaluatie van de ‘Phadiatop-CAP’ in de
huisartsenpraktijk. Ned Tijdschr Geneeskd 1992;136:1836.
Blok GJ, Flikweert DC, Nauta JJP et al. Diagnostiek van
IgE-gemedieerde allergie van de bovenste luchtwegen. Ned Tijdschr
Geneeskd 1989;133:1076-1080.
Crobach MJJS, Kaptein AA, Kramps JA et al. The Phadiatoptest
compared with RAST with the CAP-system; proposal for a third Phadiatop
outcome: “inconclusive”. Allergy 1994;49:170-176.
Van Toorenenbergen AW, Van Dijk G. Doelmatigheid van mengsel-RAST’s
bij oriënterend serologisch onderzoek van patiënten met een mogelijke
allergie. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:855-859.
Bollinger ME, Eggleston PA, Flanagan E et al. Cat antigen in homes
with and without cats may induce allergic symptoms. J Allergy Clin
Immunol 1996; 97:907-914.
Van Ree R, Van Leeuwen WA, Aalberse RC. How far can we simplify in
vitro diagnostics for grass pollen allergy? A study with 17 white pollen
extracts and purified natural and recombinant major allergens. J Allergy
Clin Immunol 1998;102:184-190.
Consensusrapport Astma bij kinderen. Amsterdam: CBO, 1992.
Crobach MJJS, Jung HP, Toorenburg-Beyer B et al. NHG-Standaard
Allergische en hyperreactieve rhinitis. Huisarts Wet 1995;38:216-227.
Geijer RMM, Thiadens HA, Smeele IJM et al. NHG-Standaard COPD en
astma bij volwassenen. Diagnostiek. Huisarts Wet 1997;40:416-429.
Dirksen WJ, Geijer RMM, De Haan M. NHG-Standaard Astma bij kinderen.
Huisarts Wet 1998; 41:130-143.
Bruijnzeel-Koomen C, Ortolani C, Aas K et al. Adverse reactions to
food. Position paper. Allergy 1995;50:623-635.
Reus KEH, Houben GF, Stam M, Dubois AEJ. Voedseladditiva als oorzaak
van medische klachten: alleen voor sulfiet verband met astma en
anafylaxie aangetoond; resultaten van een literatuuronderzoek. Ned
Tijdschr Geneeskd 2000;144:1836-1839.
Niestijl Janssen JJ, Kardinaal AFM, Huybers G et al. Prevalence of
food allergy and intolerance in the adult Dutch population. J Allergy
Clin Immunol 1994;93:446-456.
Cassandra GDSC,Mearin ML, Von Blomberg BME et al. An iceberg of
childhood coeliac disease in The Netherlands. Lancet 1999;353:813-814.
Hin H, Bird G, Fisher P,Mahy N, Jewell D. Coeliac disease in primary
care: case finding study. BMJ 1999; 318:164-167.
Rostami K. Coeliac disease, pitfats in screening. [Thesis]
Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1998.
Lucassen PLBJ, De Vries-Oostveen AS, Niebuur HKM et al.
NHG-Standaard Voedselovergevoeligheid bij zuigelingen. Huisarts Wet
1995; 38:178-184.
Commissie ‘Standaard’. Kneepkens, CM, voorzitter. Landelijke
standaard voor de diagnose en behandeling van voedselovergevoeligheid
bij zuigelingen op het consultatiebureau. Landelijk Informatiecentrum
voor Voedselovergevoeligheid (LIVO) 1995.
Van Toorenenbergen AW, Oranje AP, Vermeulen AM et al. De Phadiatop
Paediatric: een bruikbare in-vitro-test op een atopische immuunrespons
bij zuigelingen en kleuters. Ned Tijdschr Geneeskd 1991; 135:1920-1923.
Douwes AC.Voedselallergie bij kinderen.Ned Tijdschr Geneeskd
1988;132:1388-1392.
Douwes AC, Van Weert-Wattman ML, Folkertsma K et al. Prevalentie van
voedselallergie bij Amsterdamse zuigelingen. Ned Tijdschr Geneeskd 1988;
132:1392-1396.
De Jong MH, Scharp-Van der Linden VTM, Aalberse RC et al. Controlled
trial of brief neonatal exposure to cow’s milk on the development of
atopy. Arch Dis Child 1998;79:126-130.
Bijl AMH, De Jong NW, Mulder PGH et al. Prevalentie van
IgE-gemedieerde allergie voor natuurrubberlatex op Rotterdamse
operatiekamers. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:1780-1784.
Spieksma FThM. Kruidenpollen: aërobiologie en allergie.Uitgave
Pharmacia en Upjohn B.V. Diagnostics 2000; Postbus 17, 3440 AA Woerden.
Kauffman HF. Schimmels en Allergie. Uitgave Pharmacia en Upjohn BV.
Diagnostics, 2000.
Smithuis PAO. Betrouwbaarheid van in vivo en in vitro tests bij
IgE-gemedieerde voedselovergevoeligheid. Doctoraal scriptie Farmacie,
maart 1993.