|
  
Scroll down voor het
gehele menu
MENU
►Missie
►Organisatie
►Advies
Raad
►Donateur
►Sponsoring
►contact
ANAFYLAXIE
►Wat is Anafylaxie?
►Diagnose?!
►Adreslijst
Allergologen Nederland en België
►Hoe kan het ontstaan?
►Wat kan er gebeuren?
►Wat kan je er tegen doen?
►Immunotherapie
►Hoe kun je het voorkomen?
►Medisch woordenboek
►Kruisallergie
►EHBO!!
►Griepprik
ANAFYLAXIS IN
DE MEDIA
►Waarschuwingen /
Berichten
►Publicaties
►Alternatieve therapieën
LEVEN MET ANAFYLAXIE!
►Pas diagnose gesteld?
►De Familie
►Kinderopvang
►Scholen
►Werk
►Uitjes
►Reizen / Vakantie
►Overige tips
►ANAFYLAXIS QUIZ
►WETGEVING
►Verzekeringen
►Vreemde woorden
►School
Ontbijt
HULPMIDDELEN BIJ ANAFYLAXIE
►112
kaartje Europa
►Winkel
►Het Protocol
►De Auto injectie Pen
►De Epinefrine Mate
►Het Actieplan
►De AlarmPenning
►De Trainer
►Boekjes
►Kindertraining
►EpiPen
op USA TV
INFO voor BEDRIJVEN
►Allergeenbeleid
►Good Manufacturing Principles (GMP)
►HACCP
►Etikettering
Voor PROFESSIONALS
►Training voor
Artsen
►Presentatie van Dey
►Informatie voor
Artsen
►Trainingmateriaal voor
Artsen
►Informatie
over Anaphylaxis for Clinicians
and Laymen
►Allergome
Database for Clinicians/Professionals
►1st
International Symposium
on Molecular Allergology
_____________________
Associated with


 |
Terug
naar Voor
artsen
Deze informatie is beschikbaar gesteld door het Universitair Medisch Centrum
Utrecht. Met dank aan
Mw. drs. J.M. Oldhoff; Mw. dr. S.G.M.A. Pasmans, dermatoloog; dr. R. Fijnheer,
hematoloog © okt. 2002 UMCU.
Urticaria Pigmentosa
De meest voorkomende vorm van Mastocytose
Urticaria pigmentosa (UP) is de meest voorkomende vorm
van mastocytose. Andere cutane vormen kunnen zijn: teleangieëctasia macularis
eruptiva perstans, solitair mastocytoom (komt met name voor bij kinderen) en
diffuse cutane mastocytose (zeer zeldzaam). Mocht uw patiënt één van deze
vormen hebben dan is deze informatie ook van toepassing.
Mastocytose is een ziekte die wordt gekenmerkt door een pathologische
stijging van mestcellen in verschillende weefsels (huid, milt, lever,
maagdarmkanaal en beenmerg). De symptomen variëren afhankelijk van de betrokken
organen. Geschat wordt dat er per jaar 100 nieuwe patiënten met mastocytose
worden gediagnosticeerd in Nederland. Mastocytose kan zich op verscheidene
manieren uiten. De meest gangbare classificatie is die van Metcalfe1)
, zie tabel 1. Hierop is recent weer een aanpassing
geweest.
2)
Mastocytose is geen erfelijke ziekte. Er zijn echter wel een aantal familiaire
gevallen beschreven. Deze gevallen vormen waarschijnlijk een subgroep binnen de
mastocytose.
Urticaria pigmentosa is voor het eerst beschreven door Nettleship en
Tay in 1869. 3)
UP wordt gekarakteriseerd door
min of meer symmetrisch voorkomende kleine roodbruine maculae of papulae die
meestal opzwellen na wrijving. Dit wordt het teken van Darier genoemd. 4)
UP is de meest voorkomende vorm van mastocytose. UP komt evenveel bij mannen als
bij vrouwen voor. Er wordt een onderscheidt gemaakt in een infantiele vorm
(leeftijd onder de puberteit) en een volwassen vorm (leeftijd boven de
puberteit).
65% van de UP-gevallen komt voor bij jonge kinderen en gaat gepaard met een
goede prognose met regressie van de laesies bij ongeveer 80 procent van de
kinderen bij het bereiken van de puberteit. 5)
Wanneer UP op oudere leeftijd ontstaat kan er gehele remissie optreden 6),
echter dit is minder waarschijnlijk.
In de meeste gevallen treedt stabilisering of
uitbreiding van de mastocytose op. De ziekte kan echter systemisch worden. De
kans hierop is onduidelijk. In verschillende onderzoeken varieert de kans hierop
van 10 tot 70 procent voor patiënten met UP 7).
De oorzaak van de verschillende percentages hangt samen met de moeite die wordt
gedaan om systematisatie aan te tonen. 8)
Als Als systematisatie wordt aangetoond gaat het meestal om indolente
systemische mastocytose (categorie II, tabel 1). Dit heeft voor de patiënt
weinig gevolgen aangezien de behandeling symptomatisch blijft. Echter in deze
categorie zijn de symptomen wel zeer divers. Variërend van milde klachten
(grootste groep) tot invaliderende klachten die niet met de gangbare
symptomatische therapie te behandelen zijn.
Van belang is het om in de groep UP-patiënten diegenen op te sporen die vallen
in categorie III-V (tabel 1). Dit is het meest cruciale punt voor een patiënt
met UP.
Mestcellen ontwikkelen zich van de pluripotente
proggenitorcellen (CD34+) in het beenmerg en bestaan uit twee fenotypen,
gebaseerd op de aanwezigheid van de protaesen trypsine en chymotrypsine. De
meerderheid van de mestcellen in de huis bevatten beide protaesen. 11)
Voor een normale ontwikkeling van de mestcel is een interactie nodig tussen het
cytokine stamcelfactor (SCF) en de c-kit receptor. Vanuit het beenmerg migreren
mestcellen door het bloed en de lymfe naar de weefsels om daar verder uit te
rijpen tot gegranuleerde cellen. SCF stimuleert tevens de proliferatie van
menanocyten en de synthese van melanine. Dit veroorzaakt de typische
hyperpigmentatie van de UP-laesies.
De oorzaak van proliferatie van mestcellen bij
mastocytose is nog onbekend. Er wordt hiernaar veel onderzoek gedaan. De
belangrijkste hypothese van (mede)oorzaak van mastocytose is een mutatie in het
c-kit proto oncogen. dit gen codeert voor de c-kit receptor, welke tot expressie
komt op hematopoïetische stamcellen, mestcellen, melanocyten en kiemcel lijnen.
SCF is de ligand voor de c-kit receptor en is essentieel voor de proliferatie en
de differentiatie van mestcellen vanuit het beenmerg. Onderzoek heeft bij
patienten met mastocytose mutaties in het c-kit proto oncogen aan getoond. 9) De
meest voorkomende is de Asp816 ->Val mutatie. Deze mutaties worden gevonden
in perifere mononucleaire bloedcellen, milt of huidlaesies van patienten met
mastocytose. In onderzoek met mestcel leukemie lijnen is gebleken dat deze
mutatie leidt tot een SCF- onafhankelijke activering van de c-kit receptor. Dit
leidt tot mestcel proliferatie. 10)
Mastocytose is een heterogene ziekte, hetgeen blijkt
uit de diverse presentaties. (tabel 1) De c-kit proto oncogen mutatie zal een
rol spelen, maar kan op dit moment niet de verschillende presentatievormen
verklaren.
De oorzaak van symptomen bij mastocytose is goed bekend. Ze zijn het
resultaat van het vrijkomen van
teveel mestcel mediatoren. Beleangrijkste mediators zijn: histamine, heparine,
proteases (tryptase, chymotryptase) prostaglandine D2. leukotriene C4, TNFa,
LI3 en LI4. De biologische effecten van histamine zijn het resultaat van
activering van H1- of H2- cel oppervlakte receptoren. Activering van de H1-
receptor zorgt voor contractie van bronchiën en de gladde spiercellen van
de tractus digestives. Activering van de H2- receptor zorgt voor een verhoogde
maagzuur secretie door parietale cellen. Histamine zelf vergroot de vasculaire
permeabiliteit. 12) Dit verklaart het zwellen
van de UP-laesies na krabben of wrijven hierover: het teken van Darier.
Naast de huidafwijkingen treedt er bij UP vaak jeuk op. Daarnaast kunnen door
massale degranulatie van mestcellen in de huid of door betrokkenheid van
meerdere organen ook andere symptomen bij UP voorkomen. Deze symptomen kunnen
zijn: maagdarmklachten, (buikpijn, misselijkheid, braken, diarree, maagpijn en
refluxklachten), flushing (bij aanwezigheid van dit symptoom dient differentiaal
diagnostisch gedacht te worden aan het carcinoidsyndroom en feochromocytoom),
botpijn, gewrichtspijn, hoofdpijn, dyspnoe, moeheid, duizeligheid, syncope,
palpitaties en tintelingen.
Symptomen komen vaak in aanvallen voor. De
oorzaak hiervan is dat mestcellen massaal kunnen degranuleren door bepaalde
triggers. Bekende triggers zijn: fysieke inspanning, geestelijke inspanning,
stress, temperatuurverschil, voedsel dat rijk is aan biogene aminen (vis, oude
kaas, alcohol) en bepaalde medicijnen. Gezien de kans op een ernstige reactie op
bepaalde medicijnen moet de arts u een medicijnenpaspoort geven. Hierin wordt
vermeld voorzichtig te zijn met de volgende medicijnen: medicijnen waar de
betreffende patiënt in het verleden overgevoelig is voor gebleken,
spierverslappers, opiaten, polymixinen, röntgencontrastvloeistof en NSAID's
zoals aspirine. 13)
Medicijnengebruik bij Mastocytose:
Gebruik geen medicatie waar u in het verleden overgevoelig
voor bent gebleken
Verhoogd risico op overgevoeligheid voor:
1. alle opiaten (bijvoorbeeld codeïne)
2. polymixinen (polymixine B/ colistine)
3. spierverslappers
4. röntgencontrastmiddel; met name oude generatie
5. NSAID's (bijvoorbeeld aspirine, ibuprofen)
|
De diagnostiek UP wordt gesuggereerd door
de aanwezigheid van langer bestaande roodbruine maculae met name voorkomend op
de romp die soms jeuken en zwellen bij krabben. Wanneer er bij het lichamelijk
onderzoek een positief teken van Darier wordt gevonden is de diagnose UP zeer
waarschijnlijk. Verdere bevestiging kan worden verkregen door bepaling van
metabolieten van vrijgekomen histamine (MH, MIAA) in de urine. Tevens kan er
tryptase (normaalwaarde <13.5 ug/l) worden bepaald in het serum. Al deze
waarden zijn meestal verhoogd bij UP en kunnen worden gebruikt in de follow-up.
Diagnostisch is het histo-pathologisch
onderzoek. Hierbij wordt een huidbiopt in formaline van een UP-macula onderzocht
op de vergrote aanwezigheid van mestcellen. Mestcellen kunnen worden gezien met
Giemsa/ toluidine blauwkleuring. Deze kleuringen worden niet standaard verricht
en de verdenking op mastocytose is dus noodzakelijk voor het stellen van de
diagnose door de patholoog-anatoom.
Diagnostiek naar systemische mastocytose wordt gedaan door een hematoloog die
naast het beoordelen van het bloedbeeld, eventueel een echo abdomen (splenomegalie,
lymfadenopathie) en een X-Thorax (lymfadenopathie) en zo nodig een beenmergbiopt
en punctaat afneemt.
tabel 1: Classificatie
van mastocytose 14)
I Cutane Mastocytose
Urticaria pigmentosa
Solitair mastocytoom
Diffuse cutane mastocytose
Teleangiectasia macularis eruptiva perstans
II Systemische mastocytose met of zonder
huidmanifestatie
Mestcel infiltratie van tenminste 1 intern orgaan
(bijvoorbeeld beenmerg, maagdarmkanaal, skelet, milt)
III Mastocytose met een hematologische
stoornis
Bijvoorbeeld leukemie, lymfomen, myelodysplastische of
Myeloproliferatieve stoornissen
IV Agressieve mastocytose
Mastocytose met lymfadeopathie en eosinofilie
V Mestcel leukemie
|
(Zie ook tabel 2)
Er bestaat op dit moment nog geen middel tegen mastocytose of enig bewijs dat er
een therapie het beloop van de ziekte kan beïnvloeden. Het beleid voor therapie
is symptomatisch. Er wordt onderzoek gedaan naar nieuwe middelen bij
mastocytose.
-
Algemeen is het advies aan patiënten
om bovengenoemde triggers van mestcellen te vermijden. Hierbij komt het
grote belang dat er zoveel mogelijk aan wordt gedaan om te voorkomen door
wespen en bijen gestoken te worden.
-
Patiënten moeten een noodset
meekrijgen, bestaande uit antihistaminica en 2 EpiPennen, aangezien de kans
op anafylactische shock verhoogd is gebleken na een steek door een wesp
of bij.
-
Het is aan te bevelen het eerder
genoemde geneesmiddelen paspoort mee te geven met hierin de medicijnen
waarbij een verhoogde kans is op een overgevoeligheidsreactie.
-
Wanneer de patiënt klachten heeft in
relatie tot voedsel kan door middel na een proefdieet (6 weken) vrij van
biogene aminen de klachten verlichten. Na 6 weken kan aan de herintroductie
worden begonnen om zodoende de voedingsmiddelen die echt klachten geven te
selecteren.
-
Voor de chronische klachten van jeuk,
urticaria en flushing kunnen H1-receptor antagonisten worden gegeven (loratadine,
hydroxyzine). Voor klachten van het tractus digestives kunnen H2-receptor
antagonisten worden voorgeschreven (cimetidine, ranitidine). 8)
-
Lichttherapie kan effectief zijn voor
met name de cutane afwijkingen. Echter dit effect is altijd kortdurend en
therapie zal herhaaldelijk gegeven moeten worden. Dit moet afgewogen worden
tegen de nadelige effecten van lichttherapie op de lange termijn. 8)
-
Bij zeer ernstige klachten, niet
reagerend op H1 en/of H2 antihistaminica met een verhoogd tryptase of bij
afwijkingen in het bloedbeeld kan overleg worden gepleegd met het
Universitair Medisch Centrum Utrecht (R. Fijnheer, hematoloog of S. Pasmans,
dermatoloog) of
-
met Academisch Ziekenhuis
Groningen,
Allergology:
Jaap van Doormaal, M.D.
Department of Allergology,
University Hospital Groningen
NL-9700 RB Groningen
The Netherlands
Hematology:
Hanneke
Kluin-Nelemans, M.D.
Department of Hematology,
University Hospital Groningen
Pathology:
Phillip Kluin,
M.D.
Department of Pathology &
Laboratory Medicine,
University Hospital Groningen
Dermatology:
Pieter van Voorst Vader, M.D.
Department of Dermatology,
University Hospital Groningen
Allergology Group:
Jan de Monchy, M.D., Anthony Dubois, M.D., Jaap van Doormaal, M.D. & Hanneke
Oude Elberink, M.D.
Department of Allergology
University Hospital Groningen
Clinical Chemistry - Molecular Biology - determination of histamine
metabolites:
Ido Kema, Ph.D.
Department of Pathology and Laboratory Medicine University Hospital
Groningen
Clinical Chemistry -
Bone Metabolism:
Eveline van der Veer,
Ph.D.
Department of Pathology and Laboratory Medicine
University Hospital
Groningen
Geadviseerd wordt om de patiënt in
principe jaarlijks ter controle te zien. Hierbij is het van belang om te bepalen
of er sprake is van verandering ten opzichte van het jaar daarvoor met
betrekking tot de symptomen en bloedbeeld.
|
tabel
2: Behandeling van Mastocytose |
|
Alle patiënten:
Jeuk, flushing, Urticaria,
Maagdarm klachten,
Flushing
Ernstige klachten bij systematisatie |
Noodset
i.v.m. verhoogde kans op ernstige reactie op wesp/bij/geneesmiddelen/
voedsel:
- H1 antihistaminica
- noradrenaline (EpiPen)
H1-antihistaminica
H2-antihistaminica
Experimentele therapieën in het UMC Utrecht, bijv. cladribine (R.
Fijnheer)
|
De prognose van UP is over het algemeen
goed. De ziekte is bij volwassenen chronisch van aard, maar spontane remissie is
in zeldzame gevallen mogelijk. 5)
Een onbekend percentage patiënten ervaart verergering van de UP en ontwikkelt
systemische mastocytose in de loop van de jaren. In de meeste gevallen betekent
dit uitbreiding van de benigne aandoening met uitbreiding van symptomen.
Desondanks kan de ziekte door de symptomen invaliderend werken waardoor
agressieve therapie soms nodig is. Dit is in een klein percentage het geval.
Hiernaast presenteert een kleine hoeveelheid patiënten zich met een
geassocieerde hematologische maligniteit. Mestcelleukemie als oorzaak van UP
bijeerste presentatie is beschreven maar komt zeldzaam voor en zal zich ook veel
agressiever presenteren met snelle progressie van klachten.15)
|
1 |
Metcalfe DD.
Classification and diagnosis of mastocytosis: current status. J
Invest Dermatol. 1991; 96:2-4S |
|
2 |
Valent P, Horny HP,
Escribano L, et al. Diagnostic criteria and classification of
mastocytosis: a consensus proposal. Leukemia Research. 2001;
25:603-625 |
|
3 |
Nettleship E, Tay W.
Rare forms of urticaria. BMJ. 1869;2:323-324. |
|
4 |
Soter NA. The skin in
Mastocytosis. J Invest Dermatol. 1991; 96:32S-39S |
|
5 |
Azana JM, Torrelo A,
Mediero IG, et al. Urticaria Pigmentosa: a review of 67 pediatri cases. Pediatr
Dermatol. 1994; 11:102-106 |
|
6 |
Kors JW, van Doormaal JJ,
Breukelman H, et al. Long-term follow-up of indolent mastocytosis in
adults. J Int Med 1996; 239:157-164 |
|
7 |
Topar G, Staudacher C,
Geisen F, et al. Urticaria Pigmentosa. A clinical, hematologic, and
serologic study of 30 adults. Am J Clin Pathol. 1998; 109:279-285 |
|
8 |
Greaves MW. Mastocytosis.
In: Rook: Textbook of Dermatology, Volume 3: 6th edition. 1998 Chapter
54 |
|
9 |
Hartmann K, Henz BM.
Mastocytosis: recent advances in defining the disease. Br J Dermatol.2001;
144:682-693 |
|
10 |
Furitsu T, Tsujimura T,
Tono T, et al. Identification of mutations in the coding sequence of the
proto-oncogene c-kit in a human mast cell leukaemia cell line causing
ligand-independent activition of c-kit product. J Clin Investigations.
1993; 92:1736-1744 |
|
11 |
Sato-Matsumura KC,
Matsumura T, Koizumi H et al. Analysis of c-kit exon 11 and exon 17 of
urticaria pigmentosa that occured in monozygotic twin sisters. Br J
Dermatol. 1999; 140:1130-1132 |
|
12 |
Metcalfe DD.
Mastocytosis syndromes. In: Middleton E, editor. Allergy. Principals and
Practice. Volume II. 4th edition. 1993:1537-1551 |
|
13 |
Meyler L, Dukes MNG,
Aronson JK, Chalker J. Meylers side effect of drugs: an encyclopia of
adverse reactions and interactions. 14th edition. 2000. Edited by
Elsevier, Amsterdam |
|
14 |
Golkar L, Bernhard JD.
Mastocytosis. Lancet. 1997; 349:1397-85 |
|
15 |
Tebbe B, Stavropoulos PG,
Krasagakis K, Orfanos CE. Cutaneous Mastocytosis in adults. Dermatology.
1998; 197:101-108. |

|

EpiPen op Amerikaanse Televisie

Het FORUM van het Nederlands Anafylaxis
Netwerk

De
Epinephrine
Mate, dé houder voor de EpiPen®

Een automatische herinnering voor
de verloopdatum van Uw EpiPen®

Het actieplan in
verschillende talen

Een Engelse site met zeer veel informatie
over insectenallergie |